Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons cookiebeleid.

Accepteer cookies

Zuid-Holland

Friesland

Groningen

Drenthe

Overijssel

Flevoland

Noord-Holland

Utrecht

Monitoring van de visstand

Voor de VBC is het van groot belang vast te stellen hoe de visstand zich ontwikkelt. Daardoor wordt duidelijk of het beheer van visstand en visserij het gewenste effect heeft.

Belangrijkste eis aan onderzoek naar veranderingen in de visstand - oftewel monitoring - is dat de metingen betrouwbare gegevens opleveren. Dat zijn niet per se gegevens die wetenschappelijk verantwoord tot stand zijn gekomen (liever wel natuurlijk!). Het gaat minimaal om gegevens die de betrokkenen als betrouwbaar ervaren.

Het is daarom belangrijk dat vissers uit alle geledingen meedoen aan het verzamelen en aanleveren van gegevens over de visstand. Kennis van vissers die het gebied op hun duimpje kennen, moet meegenomen worden in de monitoring. Vangstdata van zowel beroeps- als sportvissers, en de onderlinge uitwisseling van deze vangstdata, zijn van groot belang om de gegevens zo betrouwbaar mogelijk te maken.

Welke meetgegevens zijn nodig?

Bij het monitoren van het visserijbeheer door sport- en beroepsvisserij, zijn drie gegevens relevant::

  1. de biomassa van belangrijke vissoorten, zoals snoek, snoekbaars, aal en brasem (in kg/ha);
  2. de trends in de biomassa (grafieken van de ontwikkeling van de biomassa gezien in de tijd);
  3. de lengtesamenstelling van de belangrijke vissoorten en de trends daarin.

Bij het monitoren van het visstandbeheer (zoals inrichting gebieden, peilbeheer) door de waterbeheerder, zijn gegevens relevant zoals:

  1. totaal aantal soorten (ook de niet geëxploiteerde);
  2. verhouding in biomassa tussen de diverse vissoorten. Het gaat dan vooral om de indicatorsoorten waarmee wordt nagegaan in hoeverre de KRW-doelen zijn bereikt.

Hoe vaak meten?

Regelmatige monitoring is nodig voor:

  • kenmerken van de visstand die snel (binnen een jaar) kunnen veranderen, bijvoorbeeld biomassa en lengtesamenstelling per soort die verandert door visserijdruk, sterfte en aalscholverpredatie;
  • kenmerken van de visstand die men via het beheer wil veranderen, bijvoorbeeld de conditie van de vis. Zo kan men het effect van het gevoerde beleid nagaan.

Minder regelmatig monitoren kan volstaan voor:

  • inzicht in de soortensamenstelling in een VBC-gebied;
  • inzicht in de watertypes per VBC-gebied (productieniveau).