Zuid-Holland

Friesland

Groningen

Drenthe

Overijssel

Flevoland

Noord-Holland

Utrecht

Visrechten

Het visrecht is een recht om te vissen, zoals dat juridisch is beschreven in de Visserijwet (1963).

Het recht om te vissen houdt het volgende in:

  • het te water brengen, te water hebben, het lichten of ophalen van vistuigen alsmede het op enigerlei andere wijze pogen om vis uit het water te bemachtigen;
  • het uitzetten en uitzaaien van vis.

Onder vis wordt verstaan: de 128 soorten vissoorten, schaal- en schelpdierendie door de Minister van EL&I zijn aangewezen.

Het visrecht is voorbehouden aan de visrechthebbende. Dit is:

  • de eigenaar van de grond onder het water,
  • de eigenaar van een heerlijk visrecht,
  • of degene die het visrecht huurt van de eigenaar.

Een afgeleide van het visrecht is het doen van onderzoek naar de visstand, en het stellen van regels aan de visserij via een schriftelijke toestemming.

Grote visakte

Om op de Nederlandse binnenwateren met beroepsvistuigen te mogen vissen, is een Grote Visakte vereist. Het Ministerie van EL&I geeft deze visakte uit.

Om in aanmerking te komen voor een Grote Visakte, moet de beroepsvisser voldoen aan twee voorwaarden:

  1. beschikken over een areaal van 250 hectare viswater
  2. jaarlijks 8500 euro aan inkomsten uit de visserij hebben.

Beroepsvistuigen of grote vistuigen zijn: fuik, zegen, ankerkuil, aalkistje, aalhoekwant, aaldogger, aaskuil, staand net, gebbe, spieringtuig, kruisnet en electrovisapparaat.

Organisaties die incidenteel grote vistuigen moeten gebruiken voor onderzoek of monitoring, bijvoorbeeld onderzoeksbureaus en waterschappen, kunnen vrijstelling aanvragen. De aanvraag wordt getoetst aan de regeling Vrijstelling visserij met grote vistuigen, onderdeel van de Uitvoeringsregeling Visserij (artikel 55-60).

Heerlijke visrechten

Uit de tijd vr de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 stammen de oude zakelijke rechten. Die bestonden in die tijd op allerlei gebied; het visrecht was er n van. Oude zakelijke rechten zijn verhandelbaar en overerfbaar.
Het bijzondere is dat het visrecht en het eigendom van de grond onder het water vr 1838 apart verhandeld konden worden.

Bij visrechten gaat het vooral om heerlijke visrechten. Koningen en keizers gaven vroeger visrechten voor een bepaald gebied, de heerlijkheid, uit aan hun lagere gezagsdragers. Het heerlijk visrecht strekt zich uit - behoudens tegenbewijs - tot alle openbare of bevaarbare wateren binnen de heerlijkheid, zoals die bestonden vr 1838. De begrenzing van een heerlijkheid moet uit oude documenten herleid worden.

Daarnaast bestaan er niet-heerlijke visrechten. Deze visrechten zijn gekocht vr 1838; de begrenzing staat beschreven in oude akten. Daarbij wordt de breedtebegrenzing gevormd door de rivierbedding; de lengtebegrenzing is met duidelijke kenmerken aangegeven. Op de rivier aangesloten wateren in de uiterwaarden vallen ook hieronder, voorzover dat blijkt uit de beschikbare akten.

Sinds de invoering van het Burgerlijk Wetboek is het onmogelijk om het visrecht en de grond onder het water apart te verhandelen. In artikel 641 van het (oude) Burgerlijk Wetboek worden deze oude rechten wel geerbiedigd. Dit betekent dat de oude rechten tot in lengte van jaren kunnen blijven bestaan.

De oude zakelijke visrechten kunnen vervallen als het visrecht en het grondeigendom bij n persoon komen te liggen. Ze mogen daarna niet meer apart verhandeld worden.